|
|
Door een droeve speling van het lot zijn de boeken VII tot X van de Annalen of Jaarboeken van Tacitus verloren gegaan. Ze behandelden de regering van Caligula (37-41) en de eerste zes jaar van het bewind van Claudius (41-54). De draad der geschiedenis wordt weer opgenomen op het moment dat Claudius ontdekt dat zijn echtgenote Messalina er een voor Romeinse keizerinnen wat merkwaardige levenswandel op nahoudt. Dan gaat het relaas weer met het
bekende Tacitiaanse crescendo door tot in 66, twee jaar voor de dood van keizer Nero (54-68). Belangrijke gebeurtenissen uit de twee laatste boeken zijn natuurlijk de brand van Rome, de christenvervolgingen en het levenseinde van de schrijvers Seneca en Petronius.
Zoals blijkt uit de boeken over De jaren van Tiberius verheft Tacitus zich qua stijl en inhoud ver boven het nietszeggende van de in zijn dagen opgang makende retoriek. Ondanks zijn pessimistische interpretatie van de onrustige, sombere tijden van weleer geeft Tacitus een diep doordacht en aangrijpend beeld van de door hem beschreven periode, waarbij hij door zijn gebruik van terugkerende woorden en motieven en vaak meerzinnige en soms
duistere zinswendingen laat zien dat hij niet alleen een groot geschiedschrijver, maar ook een nooit overtroffen literator is.
Over het eerste deel van de vertaling van de Annalen, De jaren van Tiberius, een paar perscitaten:
‘In de heldere, gespierde vertaling van Wes wemelt
het van voorbeelden die zich laten lezen als huiveringwekkende, maar vooral ook actuele bewijzen van de mate waarin macht vernedert en corrumpeert.’
(Jan Blokker in de Volkskrant)
‘Persoonlijk bijt ik graag mijn tanden stuk op de weerbarstigheid van Tacitus’ grimmige Latijn. Wie daarvoor geen geduld heeft, maar zich toch in de zieke geest van Tiberius wil verdiepen, moet onmiddellijk dit boek kopen.’
(Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer)
|