|
Robert S.Hichens
De groene anjer
Vertaald door Zsuzsó Pennings

|
Oorspronkelijke titel:
|
The Green Carnation
| |
Formaat:
|
12,5 x 20 cm
| |
Omvang:
|
175 blz.
| |
Boekverzorging:
|
Paul van Gaalen
| |
Uitvoering:
|
paperback
| |
ISBN:
|
978905848 0644
| |
Prijs:
|
€ 18,50
|
|
|
Beschrijving:
Robert Smythe Hichens (1864-1950) was tot 1894 een vrij onbekende verhalenschrijver en journalist. In de winter van 1893-1894 vertoefde hij voor zijn gezondheid in Egypte, waar hij Lord Alfred Douglas ontmoette, die hem introduceerde in de kringen van zijn vriend Oscar Wilde. De decadente levensstijl van deze toen beroemde auteur inspireerde Hichens tot het schrijven van de briljante satirische roman The
Green Carnation. Na enige aarzeling - zou er geen proces wegens smaad uit voortkomen? - besloot de gerenommeerde uitgever Heinemann om het boek uit te geven, dat op 15 september 1894 verscheen zonder vermelding van de naam van de auteur. Het werd onmiddellijk een succès de scandale. In de Londense beau monde werd er driftig gespeculeerd over wie dit `giftige’ werk geschreven zou kunnen
hebben. Na een maand was het bekend dat Hichens de auteur was en voortaan verscheen het boek onder zijn naam. In De groene anjer wordt de cultus van de onechtheid, van de onnatuurlijkheid - de groene anjer die in de natuur nergens groeit en die door de Londense gay scene als herkenningsmiddel werd gedragen - belachelijk gemaakt. Bijna iedereen in het boek praat à la Oscar Wilde, men overtroeft elkaar in geestigheden en strooit met epigrammen en paradoxen, louter als tijdpassering.
Hichens schreef zijn satire niet uit kwaadaardigheid jegens Oscar Wilde. Integendeel. Toen Wilde in 1895 wegens homoseksualiteit tot twee jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, verzocht Hichens zijn uitgever het succesvolle boek uit de handel te nemen, want `het leek hem van een zeer slechte smaak te getuigen een dergelijk schotschrift tegen een beroemd man te blijven verkopen wanneer die man in moeilijkheden is geraakt’.
| |
Recensie(s):
|
Dit boek beleefde zijn eerste Engelse druk in 1894 en werd een scandaleus succes. Het is een satire op de destijds wereldberoemde Oscar Wilde en zijn kring van bewonderaars. Gedurende een weekje op het land vermeien Wilde en zijn kring zich in briljante, maar nutteloze gesprekken vol epigrammen en paradoxen. Onechtheid, onnatuurlijkheid, daar draait het om en daar steekt Hichens de draak mee. Meer nog dan Wilde lijkt diens vriend Bosie geparodieerd
en belachelijk gemaakt te worden. Wilde komt er niet eens zo slecht af; Bosie's imitatie van Wilde is de onechtheid in het kwadraat. Het boek is vermakelijk, virtuoos en vol echte Wilde-citaten of parafrases. Scandaleus is het geenszins meer. Voor wie in Wilde en in de 19de-eeuwse decadentie geinteresseerd is, heeft dit boek een prachtig tijdsbeeld, fraaie vondsten en boeiende karakteriseringen te bieden. Het namenregister maakt de sleutelroman volstrekt inzichtelijk.
(Biblion recensie, Drs. Cees van der Pluijm)
Volkskrant/Cicero 22-09-2006:
Besmettelijke geestigheden
Door Erwin Mortier
Er zijn verschillende manieren waarop je een roman als De groene anjer kunt lezen.
Je kunt hem opvatten als een fascinerende schets van de kring rond Oscar Wilde, zijn minnaar en noodlotsengel Lord Alfred Douglas, en de Londense society die hen omzwermde. Je kunt het boek, geholpen door een uitgebreide index achterin, als een volwaardige sleutelroman tot je nemen. De lijst van wie allemaal op de hak wordt genomen is dusdanig uitgebreid dat je er dagen zoet mee bent tot het zoekplaatje voltooid is.
Of dat bijdraagt tot het leesgenot is een tweede. Alleen Wilde himself, mik- en middelpunt van de roman, is een dikke eeuw later niet in het vergeetboek terechtgekomen. Je kunt het verhaal natuurlijk lezen als wat het was toen het in 1894 uitkwam; een satire die de cultus van de decadentie hekelt, maar zelfs dat zou deze roman onderwerpen aan een reductie die hij niet verdient.
Esmé Amarinth, zo heet de kunstenaar wiens gelijkenis met Wilde niet eens verholen mag heten. De naam is op het pathetische af verfijnd. ‘Ik ben dol op linzen en koud water’, oreert de bard. ‘Maar er zijn tijden dat ik absint moet drinken en de nachtelijke uren moet tooien met scharlaken borduursel, dat ik muziek nodig heb en de zonden die daarbij passen.’
Hij geeft de lezer meteen mee wat de inzet zal zijn van het spel dat in de roman gespeeld wordt: ‘De woordspeling is de clown onder de grappen, de goed getroffen paradox is de beschaafde blijspelacteur en een blijspel op niveau grenst aan het treurspel.’
We ontmoeten de dichter in de woonst van zijn hartsvriendin Mrs Windsor, waar ook de engelachtige maar verdorven Lord Reggie zijn opwachting maakt, en tevens een zekere Lady Locke. Zij heeft jarenlang in Duitsland gewoond, niet bepaald het thuisland der verfijndheid in de ogen van de Londense estheten, is jong weduwe geworden, moeder van één zoontje en pas onlangs naar Engeland teruggekeerd.
Ze fungeert in het verhaal als de tegenpool van Esmé Amarinth en de zijnen. Een en al onbevangenheid, begrijpt ze niets van de bon mots en oneliners die haar om de oren spatten, en de cultus van de decadentie vindt ze absurd. Lady Locke zit ook op een aardig fortuin. Een ideale huwelijkskandidate kortom, voor de immer in geldnood zittende Reggie.
Mrs Windsor heeft dus een plan. Tijdens een week vakantie op haar buiten, wil ze de weduwe aan de jonge edelman koppelen. Tot groot jolijt van de lezer lijkt Mrs Windsor niet te beseffen dat de groene anjer die Reggie in het knoopsgat draagt een herkenningsteken is onder homoseksuelen. Alle elementen voor een hoop misverstanden liggen dus klaar, en de schrijver speelt ze vakkundig uit, maar wat het boek echt drijvende houdt is de besmettelijkheid van Amarinths geestigheden.
Iedereen begint zich te bedienen van bon mots, aforismen en boutades, die niet voor die van Amarinth/Wilde hoeven onder te doen. Het lijkt als de schrijver, die een tijdlang in de kring van Wilde vertoefde, zich niet kan inhouden en zelf in de ban komt van diens verbale toverij. Zelfs Lady Locke, die heel even werkelijk van Lord Reggie dreigt te gaan houden, ontkomt niet aan gevatte observaties over ‘die onnatuurlijk jongeman, die in haar ogen net zo verwrongen was als een
Egyptische kreupele die op zijn handen over een zandweg zigzagde met zijn benen rond zijn nek’.
Het legt de ambivalentie bloot die de kracht vormt van dit boek. Hoe verbolgen de moralist die in elke satiricus schuilgaat zich ook mag betonen over de schandelijkheden die hij verfoeit, om er briljant de draak mee te steken moet er op zijn minst sprake zijn van fascinatie, zoniet heimelijke afgunst, om niet te zeggen latente verliefdheid.
‘Waarheid, volledig uitgekleed, lijkt op een epigram’, zegt de verteller aan het begin van het boek, maar gelukkig voor ons gelooft hij dat zelf niet. Als Hichens zich had beperkt tot schimpen tegen het societygebeuren van zijn tijd, had hij een zedenpreek gehouden die allang vergeten zou zijn. Had hij een sleutelroman zonder meer geschreven, dan gold De groene anjer vandaag als een literair curiosum, hooguit bekend onder specialisten. De waarheid, naakt of niet, is dat
deze bescheiden klassieker zichzelf van de vergetelheid redt door even geestig, gekunsteld en spitant te zijn als de figuren die hij over de kam haalt. De auteur gaat deze dubbelzinnigheid niet eens uit de weg, maar buit haar ten volle uit. In de paradox begint de literatuur.
Het is met correcte boeken zoals met Zwitserland: de lucht is er gezond, de natuur nog groen, maar je verveelt je er te pletter. En deugdzame lui mogen dan wel bewonderenswaardige schepselen zijn, onwrikbare hoekstenen van de maatschappij, een mens gaat er zelden voor zijn plezier mee dineren.
|
|
|