|
In 1835 publiceerde de dertigjarige Alexis de Tocqueville niet alleen het eerste deel van zijn beroemde boek over de democratie in Amerika, maar ook een essay over het pauperisme, dat een belangrijk onderwerp van discussie was geworden sinds de gevolgen van de industriële revolutie tot het Europese maatschappelijke bewustzijn begonnen door te dringen. De aanleiding werd gevormd door
zijn waarneming -- gevoed door een recent verblijf in Engeland -- dat de armen er in de rijkste landen nog slechter aan toe waren dan in de armste.
Met de groei van industrie en rijkdom groeiden ook de behoeften, en daarmee de behoeften die als elementair werden beschouwd. Zo werd de armoedegrens voortdurend verlegd en nam het aantal armen eerder toe dan af. Een Engelsman kon immers arm zijn bij gebrek aan iets waarvan een Fransman niet wist dat hij het miste. Anders dan vele tijdgenoten legde Tocqueville de schuld van de armoede niet bij de armen zelf. Hij beschouwde het als een
logische uitkomst van de economische ontwikkeling en meende dat een modern land zich maar beter kon instellen op de hardnekkigheid van het probleem.
Deze uitgave bevat de tekst van de oorspronkelijke voordracht die Tocqueville voor een geleerd genootschap in Cherbourg hield, alsmede van een aangekondigd, maar onvoltooid gebleven vervolg, dat pas in 1989 het licht zag.
`Het werk van de ongrijpbare Alexis de Tocqueville is in vrijwel elk actueel debat nog steeds relevant.’ (nrc Handelsblad)
|