|
|
Walter Mehring (1896-1981), zoon van vertaler, letterkundige en journalist Sigmar Mehring, debuteert in 1915 als expressionistisch dichter in het Berlijnse tijdschrift Der Sturm. In datzelfde jaar sterft zijn vader en erft hij diens bibliotheek.
Zijn vriend, de tekenaar George Grosz, betrekt hem in 1918 bij het dadaïsme. Mehrings stijl wordt losser; hij gaat ook liedteksten schrijven voor het theater en het cabaret. In 1916 moet hij als
richtkanonnier naar het front. Hij wordt algauw weer naar huis gestuurd en afgekeurd wegens ‘weltanschaulicher Unzuverläßigkeit’. In 1919 wordt Mehring veroordeeld omdat hij de Reichswehr belachelijk zou hebben gemaakt en onzedelijkheden zou hebben verspreid in zijn gedicht `Der Coitus im Dreimädelhaus’. Van 1924 tot 1928 is hij correspondent in Parijs voor het Berlijnse Tage-Buch. In 1929 demonstreert de S.A. bij de schouwburg waar zijn toneelstuk Der Kaufmann
von Berlin wordt opgevoerd. In Die Weltbühne schrijft hij over het nationaal-socialisme en over Hitler (‘Mittelstandsheiland’, ‘Wunderattentäter’).
Mehring is jood en vlucht in 1933 naar Parijs. Later verhuist hij naar Wenen. Ook daar moet hij weg, met achterlating van zijn eigen en zijn vaders bibliotheek. Hij wordt geïnterneerd in Frankrijk. In 1941 weet hij te ontsnappen naar Amerika, waar hij Die verlorene bibliothek schrijft, helemaal uit het hoofd, zonder naslagwerken. Het
boek komt eerst als The Lost Library uit in een Engelse vertaling.
In dit werk, dat als ondertitel Autobiografie van een cultuur heeft, geeft Mehring zijn zeer persoonlijke visie op de cultuur van Europa en vertelt hij over zijn contacten met Rilke, Joseph Roth, Ödön von Horvath, Ilja Ehrenburg, André Gide, de futuristen, over zijn optreden met dadaïsten en over
zijn toneelervaringen in Berlijn.
Na de oorlog woont en werkt hij in Zwitserland. Voor West-Duitsland en het Wirtschaftswunder is hij te links, voor de DDR te rechts. Eigenlijk is hij altijd balling gebleven. Op 3 oktober 1981 sterft hij in Zürich.
|